Pingo’s en Hunsow (2,4 uur / 36 km)

Langs pingo’s en de mythische stad Hunsow

Startplaats: Parkeerplaats van het Hunebedcentrum

Afstand: 35,9 km

Verhalen langs de route

A. Hunebedden zijn de oudste monumenten in Nederland. Deze monumenten zijn ongeveer 5.000 jaar geleden gebouwd in de Nieuwe Steentijd, de laatste periode van de Steentijd. Hunebedden zijn gemaakt van enorme zwerfkeien die met de ijskap in de ijstijd van ongeveer 100.000 jaar geleden naar het noorden van Nederland schoven. Deze keien zijn alleen te vinden waar de ijskap is geweest: het noorden van Nederland. De enorme keien worden ook wel megalieten genoemd (afgeleid van de Griekse woorden mega = groot, en lithos = steen). Hunebedden werden gebruikt als grafkamers. De botten van de overleden mensen zijn in de loop van 5000 jaar vergaan. Een deel van de grafgeschenken is wel goed bewaard gebleven: potten van aardewerk, gereedschap en wapens van steen, en sieraden van bijvoorbeeld barnsteen. De hunebedbouwers in Noord-Europa, ook die van het Nederlandse gebied, maakten aardewerk dat ze decoreerden op een manier die heel apart is. Je herkent het direct. Bovendien maakten ze een potvorm die je bijna nergens anders ziet: een beker met een hals in de vorm van een trechter. De mensen die trechterbekers maakten, hadden zoveel dingen gemeen, dat archeologen spreken van de Trechterbekercultuur.

B. Even buiten de fietsroute, ter hoogte van het bungalowpark “Land van Bartje”, kunt u een pingoruïne bezoeken. Hij ligt aan de overzijde van het heideveld waar u hier langs fietst. Pingoruïnes zijn de overblijfselen van een pingo als het ijs in de ondergrond smelt. Tijdens de laatste ijstijd was het zo koud dat de bovenste laag van de ondergrond permanent bevroren was (permafrost). De bodem was tenminste twintig meter en plaatselijk tot wel vijftig meter diep bevroren. Onder deze bevroren bodem bevond zich  grondwater dat vanwege de grote diepte sterk onder druk stond. Op plaatsen waar zich scheuren in de permafrost bevonden welde het grondwater daarom omhoog. Zodra het in de zone met permafrost kwam bevroor het. Hierdoor ontstond een ondergrondse ijslens, die door de aanvoer van nieuw grondwater bleef groeien. De grond boven de ijslens werd steeds verder omhooggeduwd. Er ontstond een heuvel die tientallen meters hoog kon worden. Door de aanhoudende groei van de ijsheuvel ontstonden er op een gegeven moment scheuren in de grond bovenop de ijslens. Zonlicht kon nu op het ijs schijnen, waardoor dit langzaam ging smelten. Ook de bedekkende grondlaag ontdooide.
Geholpen door het smeltwater dat van de pingo afstroomde gleden stukken grond naar beneden, die zich aan de voet van de heuvel ophoopten. Zo vormde zich aan de onderkant een ringvormige aarden wal, de zogenaamde randwal. Toen al het ijs gesmolten was bleef er een ringvormige krater over die zich vulde met smeltwater: een pingoruïne. Dit meertje kan vervolgens in een warmere tijd weer opgevuld worden met organisch materiaal als gevolg van plantengroei. In de loop der tijd vormt zich uit dit organisch materiaal veen. Later is dat veen er door de mens uit gehaald om te gebruiken als brandstof. Hierdoor werd de vorm van de pingo’s weer zichtbaar als ronde meertjes in het landschap. In Nederland vinden we pingoruïnes voornamelijk in het noorden en het oosten van het land.

C. Prinses Beatrixeik. Terwijl de landmeter van het kadaster bezig was met het uitzetten van de precieze grenzen in het stuk “woeste grond” dat later ingeplant zou worden met nieuw bos en terwijl medewerkers van Staatsbosbeheer grensstenen ingroeven, begonnen overal kerkklokken te luiden. Het was 31 januari 1938: er was een prinsesje geboren. De toenmalige boswachter van Exloo gaf direct opdracht een eikenboom te planten ter ere van dit heugelijke feit. Ook liet hij een grote steen neerleggen waarin naam en datum werden gebeiteld. Twee jaar later brak de oorlog uit. De bezetter gaf de boswachter het bevel de naam van de steen te verwijderen. De boswachter, dhr. Meelker, verving de steen echter door een andere steen. De Beatrixsteen werd op een geheime plaats ingegraven tot de bevrijding.

D. Hier passeert u een gebied waar een boeiende legende aan verbonden is: het gebied waarvan dominee Johan Picardt beweerde dat daar ooit de mythische stad Hunsow had gelegen. Later bleek dat de dominee, die in 1660 het eerste geschiedenisboek over Drenthe schreef, de resten van celtic fields verkeerd interpreteerde. Wat hij aanzag voor vervallen muren van de stad, waren de wallen rond de prehistorische akkers: de boeren hadden er hun keien op gegooid.

E. Tussen Valthe en Odoorn (ongeveer een kilometer nadat u de bebouwde kom van Valthe hebt verlaten), ziet u rechts van u een grafheuvel in het veld. Het is de enig overgebleven grafheuvel van een groot grafveld dat vanaf de nieuwe steentijd is aangelegd. Hij heet het “Eppiesbergje”. Hij is opgeworpen in de tijd van de Enkelgrafcultuur (ca. 2850 – 2450 v. Chr.), De heuvel lag toen tussen drie oudere graven in: ten noordwesten en ten zuiden lagen hunebedden, die enkele eeuwen eerder waren gebouwd. Vele eeuwen later, in de midden bronstijd (ca. 1800 – 1100 v. Chr.)werd een tweede graf aangelegd in de heuvel. Bij die gelegenheid werd de heuvel opgehoogd en “gewapend” met een pakket veldstenen. In diezelfde periode is een derde persoon in de top van de heuvel begraven.
Om de grafheuvel heen verrezen in de loop van de bronstijd eerst enkele grote grafheuvels en later een groot urnenveld. Daar werden de gecremeerde resten van de bewoners van deze streek in urnen begraven onder lage heuveltjes. Dit grafveld maakte deel uit van een snoer van begravingen (hunebedden, grafheuvels, urnenvelden) tussen Emmen en Odoorn. Ze geven aan waar in de prehistorie een route over de Hondsrug liep. Het Eppiesbergje is in 1937 onderzocht door de beroemde Groninger archeoloog A.E. van Giffen.

F. U fietst hier eerst door een heidegebied. Daarna komt u bij theehuis “Poolshoogte”. De Poolshoogte is een heuvel met uitkijktoren aan de Boswachter Meelkerlaan in boswachterij Odoorn. In 1934, bij de tweede ontginningsfase van het gebied, werd in opdracht van boswachter Meelker een heuvel van 13 meter hoogte opgeworpen, naar een ontwerp van zijn zoon, die ook de naam Poolshoogte bedacht. De “klus” werd verricht vanuit de werkverschaffing. De top van de heuvel ligt op 38 meter boven NAP.
Naar de top leiden twee paden die een zogeheten dubbele helix vormen. Vanaf de top kon de jonge aanplant in de omtrek goed in gaten gehouden worden: men kon er “poolshoogte nemen”

G. In dit gebied zijn veel door stuifzand gevormde heuvels. In de 18e en 19e eeuw was stuifzand een groot probleem voor Drenthe. Door de intensivering van de landbouw, in het bijzonder die van de werd de heide rondom de essen frequenter afgeplagd. De beschermende vegetatie werd steeds vaker van het dekzand verwijderd. Bovendien liep over de Hondsrug een belangrijke noord-zuid verkeersader. Als voorloper van de A34 bevond zich hier een zandweg, in de vorm van karrensporen, die intensief bereden werd door karren en koetsen en die vanaf de zeventiende eeuw steeds belangrijker begon te worden. De bovengrond werd steeds verder kapotgereden. Periodiek kon de bovengrond gortdroog worden, doordat het regenwater gemakkelijk van de hooggelegen Hondsrug afgevoerd kon worden en het door het, als gevolg van de invloed van de zoutpijler, ontbreken van de keileemlaag hier gemakkelijk kon inzijgen. Al deze factoren zorgden ervoor dat bijvoorbeeld in een droog voorjaar het overal losliggende zand vanuit de meest getergde plaatsen door de wind kon worden opgenomen en hiermee begon een proces dat plotseling niet meer te stuiten was. De uitgestoven kuilen vergrootten zich en het weggeblazen zand bedekte de omgeving. Doordat de ondergestoven vegetatie verstikte, kon de zandverstuiving zich steeds verder uitbreiden. Aan het eind van de achttiende eeuw werd de dreiging door de zandverstuiving zo groot dat men maatregelen nam om de zandverstuiving te beteugelen. De belangrijkste wapens waren het opwerpen van wallen en het planten van bomen. De meest succesvolle boomsoort om stuifzanden vast te leggen is de grove den. Deze boom heeft een pen- of hartwortelstelsel dat meters diep de grond in kan groeien. Vanaf circa 1915 werd begonnen met het aanleggen van de Staatsbossen. Het doel van deze aanleg was het verkrijgen van mijnhout voor de Staatsmijnen en het  beteugelen van het stuifzand. Ook konden op deze manier onrendabele gronden rendabel worden gemaakt. Het aanleggen van de bossen werd als werkgelegenheidsproject benut. Werklozen, ook uit andere delen van Nederland werden hier als werkkracht ingezet. Er werden veel sparren aangeplant, met hun rechte stam goed geschikt voor het gebruik als mijnhout. Ook al lopen we hier in het bosgedeelte, toch is het zeer kenmerkende stuifzandreliëf overal goed herkenbaar.