Kennis over hunebedden

Hunebedden zijn de oudste monumenten van Nederland. Ze zijn nog altijd omringd met veel geheimen en mysteries. Door de loop van de tijd hebben archeologen gelukkig veel informatie boven water gehaald. Wat we weten is te vinden in de exposities van het Hunebedcentrum en op de website waarop je nu zit en het Hunebednieuwscafe.

Per hunebed is een artikel geschreven en op een kaart geplaatst. Met deze informatie kun je op pad om ze te bezoeken en te bewonderen. Ook in het buitenland liggen vele hunebedden. Ook deze zijn voor een groot deel beschreven in de vorm van artikelen en op een kaart geplaatst.

Naast deze website zijn er nog een aantal websites waar veel informatie is te vinden.

De meest gestelde vragen over hunebedden

  • Wat zijn hunebedden en waarvoor dienden ze?
  • Hoe zien hunebedden er uit en waar komen die keien vandaan?
  • Hoe oud zijn ze en hoe werden ze gebouwd?
  • Wat waren hunebedbouwers voor mensen?
  • Hoeveel hunebedden zijn er en waar zijn ze te vinden?
  • Wat is er na zoveel jaren nog van de hunebedden over?
  • Wat is er in de hunebedden gevonden?
  • Zijn er elders in de wereld ook hunebedden?

Wat zijn hunebedden en waarvoor dienden ze?

Hunebedden zijn de restanten van stenen grafkelders waarin het boerenvolk dat het noorden van ons land circa 5400 jaar geleden bewoonde, zijn doden bijzette. Vrij algemeen wordt aangenomen dat het massagraven waren, waarin veel generaties een laatste rustplaats kregen. Daarnaast nemen veel archeologen aan dat hunebedden een ceremoniële, rituele, godsdienstige en/of territoriale functie hebben gehad. Afwijkende opvattingen van leken zoals F. Bom (schuilplaatsen tegen rampspoed) of G. den Ouden (voorraadkelders voor voedsel) worden door professionals niet serieus genomen. Daar er uit dezelfde periode ook vele z.g. vlakgraven (voor één of enkele doden) bekend zijn, is niet duidelijk wie wel en wie niet voor bijzetting in hunebedden in aanmerking kwamen. Archeologe Anna Brindley meent dat slechts hooggeplaatsten die eer ten deel viel.

De bouwers waren geen Hunen of Hunnen, maar worden het Trechterbekervolk genoemd naar de vorm van het meest voorkomende type aardewerk dat in de hunebedden werd aangetroffen. Hunebedden behoren tot de oudste overblijfselen van menselijke bewoning in ons land.

Hoe zien hunebedden er uit en waar komen die keien vandaan?

Hunebedden zijn gemaakt van zware keien. Zwerfkeien worden ze genoemd en de zwaarste wegen meer dan 40 ton. Ze zitten in de bodem in heel Noord-Nederland, maar de meeste in Drenthe. Omdat er in Nederland nooit bergen met rotsen zijn geweest, was het lange tijd een raadsel hoe die enorme keien hier terecht zijn gekomen. Tegenwoordig weten we dat. Zo’n 150.000 jaar geleden beleefde de aarde een bijzonder strenge ijstijd. Enorme gletsjers kwamen uit het noordoosten op ons land af en strekten zich geleidelijk tot aan midden-Nederland uit. Ze sleepten een dikke laag van leem en keien met zich mee. Toen het warmer werd en het ijs smolt bleef deze laag op de Nederlandse bodem achter. Geologen konden de herkomst van de hunebedstenen vrij nauwkeurig nagaan. Ze komen uit Zweden en Finland.

Met deze keien gingen de vroegste boeren in Drenthe aan de slag om de indrukwekkende grafkelders te bouwen. Ze selecteerden keien met een platte zijde om een enigszins rechthoekige ruimte te kunnen creëren, maar waarschijnlijk ook om ze gemakkelijker met behulp van ronde boomstammen, touwen en ossen, maar bovenal mankracht naar de bestemming te kunnen slepen.

De grote keien vormen het geraamte van het graf: een dubbele rij van rechtopstaande draagstenen met de platte zijde naar binnen, waarop dekstenen met de platte zijde naar onderen als dak werden geplaatst. Met de plaatsing van twee sluitstenen aan de uiteinden ontstond zo een rechthoekige ruimte, in lengte variërend van ca. 3,50 tot 20 m. en in de breedte van ca. 1,50 tot 2,50 m. De kelderhoogte bedroeg ca. 1,75 m. zodat men er vrijwel rechtop in kon staan. Hunebedden zijn gemiddeld oost-west georiënteerd, maar allesbehalve exact. Er komen grote afwijkingen voor. Waarschijnlijk was bij het ontwerp de plaats waar de zon opkwam bepalend voor de richting. Aan de zonzijde maakten de bouwers zo veel mogelijk in het midden een toegangspoort bestaande uit twee of vier poortdraagstenen, afgedekt door een poortdeksteen. Bij twee draagstenen spreekt men van een portaalgraf, bij vier van een ganggraf. De ruimten tussen de grote draag- en dekstenen werden met stopstenen opgevuld en de basis aan de buitenzijde met een steenpakking versterkt. Men bedekte het graf met zand en zoden zodat slechts een langwerpige heuvel met de toppen van de dekstenen in het landschap zichtbaar bleef. Soms plaatste men aan de voet van de heuvel een ovale ring van kransstenen. De betekenis hiervan is niet helemaal duidelijk. Misschien om erosie tegen te gaan, maar het kan ook een rituele functie hebben gehad. Vermoedelijk werden de ruimten tussen deze kransstenen ook met keitjes dichtgemetseld.

Slechts één hunebed zit nog in z’n heuvel “verpakt”: ( D13 in Eext). De overige zijn in de loop van de tijd “ontbloot”.

Hoe oud zijn ze en hoe werden ze gebouwd?

De leeftijd is lange tijd een raadsel geweest. Maar met moderne dateringstechnieken konden wetenschappers de ouderdom van de voorwerpen die in de grafkelders werden opgegraven, vaststellen. Dat bleek ouder dan lange tijd werd gedacht: ruim 5000 jaar en dat plaatst de oorsprong van deze monumenten in wat archeologen het Neolithicum of Nieuwe Steentijd noemen. Het markeert de tijd waarin jagende en vissende nomaden zich min of meer permanent als boer in een bepaalde streek gingen vestigen. Het Neolithicum begon in onze streken omstreeks 4400 vóór Christus. De eerste hunebedden verschenen ongeveer 1000 jaar later. Ze werden in een relatief korte periode gebouwd: tussen 3400 en 3200 jaar v.C. maar bleven nog lange tijd in gebruik. Na 2850 v.C. was de periode van hunebedden definitief voorbij en daarmee de TRB (Trechterbeker Cultuur). Opvolgende generaties begroeven de doden in grafheuvels, waarvan in Drenthe, maar ook daar buiten, nog honderden te vinden zijn. Trechterbekers maakten plaats, eerst voor de z.g. standvoetbekers en daarna de klokbekers. Het Neolithicum ging vanaf omstreeks 2100 v.C. geleidelijk in de bronstijd over en dat betekende het definitieve einde van de Steentijd.

Over de bouwwijze bestaan alleen maar theorieën. Vroeger dacht men dat de hunebedbouwers enorm sterke reuzen (huynen, vandaar de naam) waren, zoals Obelix die in Bretagne met veel gemak met menhirs zeulde. Frits Bom, de voormalige vakantieman, speculeerde in zijn boek “Het Mysterie van de Hunebedden” over buitenaardse krachten en levitatie-technieken waarover de bouwers zouden beschikken. Dit alles lijkt echter niet zo waarschijnlijk maar nog steeds lijkt het een voor die tijd welhaast onmogelijke prestatie om zulke gigantisch grote en loodzware zwerfkeien bijeen te brengen en op te stapelen.

De meest gangbare theorie is dat de keien met de platte zijde door middel van hefbomen op houten rollers of sleden werden gezet en met behulp van touwen, ossen en veel mankracht naar de plaats van bestemming gesleept. Daar werden de draag- en sluitstenen rechtop in vooraf gegraven sleuven geplaatst en vastgezet. Vervolgens bouwde men er een heuvel overheen om langs de glooiingen de dekstenen omhoog te slepen. Proefnemingen hebben de mogelijkheid hiervan aangetoond, maar het blijft een raadsel waarom de hunebedbouwers zich zulke enorme collectieve inspanningen getroostten om hun doden een tijdsbestendige rustplaats te geven. Dit moet wel op een sterke voorvaderverering en een rotsvast geloof in het hiernamaals duiden.

Niet alle nederzettingen zullen de kennis en kunde in huis hebben gehad om een hunebed te bouwen. Het lijkt dus niet onaannemelijk dat er zich groepen van in dit werk gespecialiseerde kerels hebben gevormd die “op bestelling” en voorzien van het benodigde gereedschap langs de dorpen gingen om die klus uit te voeren. Dit verklaart meteen de opvallende uniformiteit in situering, oriëntatie en bouwwijze van de monumenten.

Wat waren hunebedbouwers voor mensen?

Dominee Johan Picardt uit Coevorden had daar in 1620 zo zijn gedachten over: “Barbarische en wreede Reusen, Huynen, Giganten, menschen van grauwelijcke Statuer, groote krachten en beestelijcke wreetheijdt, die God noch menschen gevreest hebben, maer geacht worden geboren te zijn tot verderf des menschelijcken geslachts”. Aan die “huynen”ontlenen de huidige hunebedden thans hun naam. Maar ook de benaming “huNNebedden hoor je nog wel. Dat komt omdat sommigen dachten dat de Germaanse Hunnen deze monumenten hadden gebouwd. In 1822 beweerde de Groningse dominee Nicolaas Westendorp met grote stelligheid dat de Kelten ver voor het begin van de jaartelling de bouwers waren geweest. Qua tijdstip zat hij er minder ver naast dan de Drentse Gedeputeerde en 2e kamerlid Lucas Oldenhuis Gratama die in een publicatie in 1886 bij hoog en laag volhield dat de Noormannen vlak voor het begin van de Middeleeuwen voor de bouw verantwoordelijk waren. Kortom: niemand wist het en men speculeerde maar wat. Ze hadden het allemaal bij het verkeerde eind want tegenwoordig weten we het: Het waren gewoon de eerste boeren in noord- en oost-Nederland en die leefden hier eerder dan men ooit had gedacht: 3400 jaar voor Christus!

Ze worden door archeologen het Trechterbekervolk genoemd naar de vorm van de meest voorkomende aardewerken beker die o.m in en bij de hunebedden werd aangetroffen. De z.g. Trechterbekercultuur deed omstreeks 4400 voor Chr. zijn intrede in Zuid-Zweden, Denemarken, Noordwest Duitsland en in ons land wat later op de hogere zandgronden benoorden de Rijn. Het markeert voor archeologen de overgang van de Midden Steentijd (Mesolithicum) naar de Nieuwe Steentijd (Neolithicum). Vóór het Neolithicum werden deze streken bevolkt door mensen die een nomadisch bestaan leidden. Ze sloegen her en der tentenkampen op en en kwamen aan de kost door de jacht, de visvangst en het verzamelen van natuurproducten. Ze worden in het algemeen aangeduid met de naam jagers/verzamelaars. Toen dit volk echter de kunst van landbewerking, het telen van gewassen en het domesticeren van dieren had geleerd, gingen ze huizen bouwen en vestigden ze zich hier min of meer permanent als boer. Een ware culturele revolutie ! Metalen gereedschap kenden ze nog niet. Maar wel van hout, been en vooral van steen. Ze kapten bos met stenen bijlen, cultiveerden het vrijgekomen land, verbouwden graan (tarwe, gerst en vlas) en lieten hun vee in de drassige beekdalen grazen. Ze bezaten ossen, koeien, geiten, schapen en varkens. Kippen hadden ze niet maar wel honden. En als ze niet de vreemde gewoonte hadden gehad om met loodzware keien door de Drentse bossen te zeulen, had ik deze homepage nooit gemaakt :-). Maar serieus: naar mijn mening is het een vrij welvarend volk geweest; als je voor je bestaan moet sappelen, heb je voor dergelijke bezigheden geen tijd.

Hoeveel hunebedden zijn er en waar zijn ze te vinden?

Er bestaan nog 54 hunebedden in ons land, waarvan 52 in Drenthe en 2 in Groningen (één in Noordlaren (G1) en één die uit de noord-Groningse klei werd opgegraven en nu in een museum te Delfzijl (G2) is te bezichtigen). Oorspronkelijk zijn er tenminste 88 geweest maar vermoedelijk wel meer dan honderd. Van 34 zijn er sporen gevonden, waarvan drie in Groningen, twee in Overijssel en één in Friesland. De grootste concentratie vinden we echter op de Drentse Hondsrug met Borger en Emmen als opvallende centra.

De hunebedden zijn genummerd: het Groningse G1 en de Drentse D1 t/m D54 (D33 is ontmanteld en D48 bleek geen hunebed te zijn).

Wat is er na zoveel jaren nog van de hunebedden over?

Geen enkel hunebed is meer compleet. Van vele ontbreken één of meer dek- en draagstenen, van de meeste de poort- en kransstenen en van alle de stop- en pakstenen. De afbraak begon al in de Middeleeuwen toen deze “heidense tempels” het op godsdienstige gronden moesten ontgelden en de stenen voor de fundering van kerken werden gebruikt. Omstreeks 1730 werden Drentse keien, waaronder hunebedstenen, handelswaar toen de zeedijken moesten worden vernieuwd omdat de paalworm in de houten dijkbeschoeiing van de zeeweringen toesloeg. Ondanks het in 1734 uitgevaardigde verbod van de Drost en Gedeputeerden van Drenthe (“by poene van hondert goltguldens”) werden vele duizenden zwerfkeien, waaronder hunebedstenen, op transport naar andere oorden gesteld. Maar daarnaast zijn in de loop der tijden godsdienstijver en ordinaire verniel- en hebzucht oorzaken van het verval van hunebedden geweest.
Als gevolg daarvan bevonden de meeste hunebedden zich aan het begin van de 20e eeuw in deplorabele toestand. In 1918 vond een inventarisatie plaats waarbij slechts 16 stuks het predikaat “in goede staat” kregen. De rest verkeerde in “gehavende” of zelfs “droevige” staat. Sindsdien is aan de bestudering, instandhouding en restauratie van de hunebedden de nodige aandacht besteed. Hiermee is de naam van wijlen prof. dr. A.E. van Giffen, hoogleraar archeologie aan de RU te Groningen, onlosmakelijk verbonden. Hij onderzocht de inhoud van de hunebedden, markeerde de plaatsen van ontbrekende draag- en poortstenen, richtte uit het lood geslagen draagstenen weer op en zette afgegleden dekstenen weer op hun fundament. Hij conserveerde de onmiddellijke omgeving en plaatste handwijzers en bronzen naamplaten. Het vrijwel in de oorspronkelijke staat herstellen van het hunebed D49 (de Papeloze Kerk) bij Schoonoord, vormde de kroon op zijn werk. Ter ere van hem siert zijn in brons gegoten en in een zwerfkei gemetseld portret dit monument.

Rond 1870 zijn alle hunebedden (op één na) door het Rijk en de Provincie opgekocht. Er zijn er 31 stuks in eigendom bij het Rijk en 21 bij de Provincie. Die ene (D44 bij Westenesch ten oosten van Emmen) staat op het erf van een boer en is in particulier bezit. De rijkshunebedden zijn in beheer bij Staatsbosbeheer en de provinciale bij de Stichting Het Drentse Landschap. In 2008 is op praktische gronden een herverdeling gemaakt. D15, 31, 34, 36, 37 en 41 gingen van Provincie naar Rijk en D3 en 4 en D21 t/m 25 andersom. De verhouding is nu dus 30 Rijk en 22 Provincie.

Wat is er in de hunebedden gevonden?

Prof. Van Giffen heeft aan het begin van de vorige eeuw aan een tiental hunebedden, voorafgaande aan de restauratie, uitvoerig wetenschappelijk onderzoek verricht. Het aantal aangetroffen voorwerpen (artefacten) verschilde enorm; bij het ene hunebed niets, bij het andere wemelde het van de potscherven. Ongetwijfeld zijn in het verleden tal van hunebedden leeggeroofd. Voorbeelden van rijke vondsten zijn o.a. het hunebed D53 (Havelte) met scherven van minstens 660 stuks aardewerk, D19 in Drouwen met ca. 400 en D21 bij Bronneger met rond 600. Als men aanneemt dat het aantal aan de doden meegeven stuks aardewerk beperkt bleef tot één of enkele, moeten er per hunebed in de loop der tijd honderden doden zijn bijgezet. Hunebedden waren waarschijnlijk massagraven. (zie echter de theorie van archeologe Brindley). Het aardwerk heeft verschillende vormen. Behalve de kenmerkende trechterbekers vond men lepels met een holle steel (vermoedelijk zuigflesjes), kraaghalsflesjes, schouderpotten, schalen en emmers. Op een aparte pagina staan enkele fraaie voorbeelden. Menselijke botresten zijn in Nederlandse hunebedden niet aangetroffen; ze zijn in loop van de tijd in de zure bodem verteerd. In kalkrijkere streken in Duitsland heeft men wel skeletdelen gevonden.

Andere aangetroffen bijgaven zijn veel beperkter in aantal. Hiertoe behoren vuurstenen bijlen, pijlpunten en schrapers, sieraden zoals kralen van git en barnsteen en zelfs enkele van koper. De bezitter daarvan moet ‘steen’rijk zijn geweest, want barnsteen is zeldzaam en koper kwam in onze contreien niet voor. Ook de trechterbekercultuur kende rangen en standen.

Zijn er elders in de wereld ook hunebedden?

Megalithische grafkelders van de trechterbekercultuur zijn behalve in Noord-Nederland ook aangetroffen in Zuid-Zweden, Denemarken, Polen en Noord Duitsland. De grote ganggraven zoals hunebedden, werden echter alleen op die plaatsen gebouwd waar in de bodem grote zwerfkeien voorkwamen en dat was behalve hier ook in Noord Duitsland en Denemarken het geval. Kleinere steengraven (zonder zij-ingang) heten dolmens en komen in een nog ruimer gebied voor.

Maar het slepen met enorme rotsblokken bleef niet tot deze cultuur beperkt. In het neolithicum en de daarop volgende brons- en ijzertijd was deze krachtpatserij in tal van West-Europese beschavingen een geliefde bezigheid. Ook op de Britse Eilanden, België, Frankrijk, Spanje, Corsica, Sardinië en Italië komen megalithische monumenten voor. Sommige hadden net als hunebedden een graf-functie, andere hadden een rituele of astronomische betekenis (b.v. Stonehenge in Engeland). De in gelid opgestelde stenen bij Carnac in Bretagne worden menhirs genoemd.